Hoe ga je om met onrecht in je leven, of beter gezegd: hoe ga je om met mensen die jou onrecht aan doen? Mensen die je onheus bejegenen, die kwaad van je spreken en je bij anderen in een kwaad daglicht stellen? Mensen die je integriteit in twijfel trekken, en je motieven onzuiver noemen? Mensen die niet bereid zijn naar jouw kant van de zaak te luisteren? Mensen die je je recht op leven, of op geluk, op vrijheid, of op een eigen mening afpakken? Ga zo maar door.

Hoe reageer je?

De meeste mensen zullen verdrietig, gekwetst en kwaad zijn. Begrijpelijk!  Dit is een normale menselijke reactie op onrecht, ongeacht of je in God gelooft of niet. Het gaat je niet in de koude kleren zitten, en het raakt je tot op het diepst van je wezen.

Maar hoe gaat het vervolgens verder?  Hoe ga je ermee om? Probeer je de ander erop aan te spreken? En wat als deze daar niet op reageert of zich van geen kwaad bewust is, of erger nog: zich er wel van bewust is, maar niet bereid is om iets ervan terug te nemen? Dan worden de meeste mensen laaiend, woedend, ziedend!

“Dit kan ik niet over mijn kant laten gaan! Wie denkt hij wel dat hij is?!” Je haat groeit, je zint op wraak, vergelding. “Ik zal haar eens laten voelen, wat zij mij heeft aangedaan!” Je praat er met anderen over en bent uiteraard zeer negatief over de dader of daders. Je probeert anderen aan jouw kant te krijgen, voor jou te winnen en liefst zich tegen de ander te keren. De boosheid in je hart neemt toe. Je bent er constant mee bezig in je gedachten. Het vreet aan je. Je slaapt er slechter door. En de ander krijgt daarvan de schuld. Hoe meer je aan het onrecht denkt, hoe groter het wordt en hoe ellendiger je je voelt.  

Als iemand je in deze gemoedstoestand vraagt: “Waar hoop je op?”, wat is dan je antwoord? “Ik hoop dat die ander zal voelen wat ik voel.” Ik hoop dat anderen haar net zo behandelen als ze mij behandeld heeft.” Of: “ik hoop dat hij een ernstig ongeluk krijgt.”  Ondertussen gaat verdriet en boosheid geleidelijk aan over in bitterheid. De ander gaat vrolijk verder met zijn of haar leven, maar dat van jou is verpest.

Wellicht herken je bovenstaand patroon bij jezelf of bij anderen in je vrienden- of kennissenkring. Helaas komt hetgeen ik beschreven heb vaak voor. Ook bij gelovige mensen. En de onrechtdoeners kunnen mede-gelovigen zijn. Dat kan het overigens nog erger maken. En je denkt bij jezelf: “Hoe kan iemand die in God gelooft zich zo gedragen?”

Hoe breng je een situatie als boven beschreven in verband met God? Wat wil je dat God eraan doet? Of neem je het God kwalijk dat Hij er juist niets aan gedaan heeft en blijkbaar Zijn stilzwijgende toestemming heeft gegeven aan wat jou is overkomen? Dat maakt het bidden nog moeilijker!

Het kan best een geloofsworsteling met zich meebrengen. Immers, aan de ene kant weet je dat God een God van recht is, dat Hij zonde straft, dat Hij onrecht niet verdraagt, maar aan de andere kant, heeft Hij niet ingegrepen en heeft Hij de ander niet tot de orde geroepen; heeft Hij het niet voor je opgenomen. Lastig, nietwaar?

En dan nog eens de vraag: Waar hoop je op?  Hoop je dat je de ander nooit meer hoeft te zien? Of hoop je op verzoening met de ander, een herstel van relaties? Hoop je dat de ander zijn verkeerde daden in ziet en zijn excuses aanbiedt? Hoop je dat je reputatie gezuiverd wordt?

Door alles wat je is overkomen, kan het zijn dat je zo gefocust bent op de ander, op wat hij of zij zou moeten doen, dat je wellicht niet ontvankelijk bent voor de mogelijkheid om er zelf wat te doen. 

Dit brengt mij bij een bijzondere oneliner uit de Bijbel:

“Als je vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapel je gloeiend kolen op zijn hoofd, en de HEER zal je belonen.” (Spreuken 25: 21, 22)

In deze woorden worden we uitgedaagd tot een reactie die op het oog tegen alle logica indruist en die we onmogelijk kunnen uitvoeren.  Je normale neiging zou zijn dat wanneer je vijand, d.w.z. degene die jou onheus bejegend heeft, honger heeft of dorst, of een ander ongemak, je denkt: “Eigen schuld, dikke bult.” Misschien dank je God er wel voor. Als een goede dag hebt, dan zou er misschien een gedachte door je hoofd schieten van: “Ach, wat erg voor haar.”  Wellicht zelfs, als je superdag hebt, kun je bidden en vragen dat God er iets aan wil doen. Dat lijkt een reuze sprong, wellicht onmogelijk. Maar, het gaat, als we de waarheid van deze oneliner willen volgen, nog lang niet ver genoeg. Het is niet genoeg dat je niet blij bent met het ongeluk van je vijand, en het onvoldoende dat je hoopt dat God de ander helpt in zijn moeilijke omstandigheden. Waar het hier om gaat is dat jíj zelf, door jóuw gedrag, met jóuw woorden, met jóuw inspanningen die ander helpt, ondersteunt, troost, bemoedigt en voorziet in wat hij of zij nodig heeft.

Ongekend! Onvoorstelbaar! Onnatuurlijk! Onmogelijk! 

Dat laatste lijkt misschien wel zo, maar dat is het niet!

Ja, het is onmogelijk vanuit je eigen mens-zijn, vanuit je menselijke mogelijkheden. Maar God, die dit gedrag van je vraagt, is bereid om je tot deze stap te brengen. Hij wil je in staat te stellen te doen, wat je in eigen kracht nooit kan.

Hierbij helpt het je te realiseren dat God Zelf het voorbeeld heeft gegeven. Veel van Gods schepselen spreken kwaad van Hém, behandelen Hém als oud vuil, besmeuren Zíjn reputatie, beledigen Hém, kwetsen Hém. Ook jijzelf hebt dit meermalen gedaan. Misschien zelfs gisteren nog of vandaag!

En Hij? Hij vergeeft je, geeft je ruimte, levensruimte. Zijn zon schijnt op jouw leven. Zijn barmhartigheid is er elke dag.  Jij gedraagt je vaak als Zijn vijand, en wat doet Hij? Hij zorgt dat je eten en kleding en onderdak heeft. Hij is ons ultieme Voorbeeld hoe om te gaan met onrecht.

Ook van Jezus staat geschreven: “Als Hij gescholden werd, schuld Hij niet terug, en als Hij leed, dreigde Hij niet, Hij liet het oordeel over aan Hem die rechtvaardig oordeelt.”

Wat gebeurt er als je Zijn voorbeeld volgt?  Je zou denken: dan ben je nog verder van huis. Dan komt er nooit een einde aan het onrecht. Dan komt de ander er gemakkelijk van af, en zit je nog steeds met de brokken. Misschien ben je bang dat zo’n houding van kwaad met goed vergelden misbruik in de hand werkt. Je veronderstelt dat wanneer je je kwetsbaar opstelt, de ander je nog meer pijn kan doen.

Hoewel dit nooit uit te sluiten is, wijst de Bijbel ons op het alternatief, namelijk: “zo stapel je gloeiende kolen op het hoofd van die ander.”   Hiermee lijkt bedoelt te worden dat je de ander door het goede dat je voor hem doet, ontwapent, en dat hij zich beschaamd voelt voor de pijn jou aangedaan.

Het lijkt een teken van zwakheid wanneer je op verkeerd gedrag reageert met goed gedrag, maar er blijkt een ongelofelijke kracht van uit te gaan. Een kracht die zelfs verzoening en herstel van relaties tot gevolg kan hebben. Dit is waarschijnlijk wat het vers bedoelt met “en de HEER zal je belonen.”  De beloning is niet dat de ánder gestraft wordt en jíj gezegend, maar dat je beiden gezegend wordt door een herstelde relatie. Oftewel: een vijand wordt een vriend.  Het bijzondere is dat wanneer je je vijand als een vriend behandelt, God ervoor zorgt dat dit ook werkelijkheid wordt. 

Maar dan toch nogmaals, die vraag: “Waar hoop je op?” Je hoopt nog steeds dat er recht gedaan wordt. Is dat immers niet belangrijk voor God? Hij is toch de Ultieme Rechtvaardige?  Ja, natuurlijk wil God dat er recht gedaan. Hij belooft alle onrecht te wreken. Alle onrecht! Dus ook het onrecht jou aangedaan.

Wanneer elders in de Bijbel onze oneliner wordt geciteerd, gaat daar onmiddellijk een andere uitspraak aan vooraf:

“Neem geen wraak…maar laat God uw wreker zijn, want de HEERE zegt: Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal vergelden.”

Als we ons deze uitspraak eigen maken, de volgende keer dat ons onrecht overkomt of we door een medemens beschadigd worden, wordt het gemakkelijker om onze vijand als vriend te behandelen. Probeer het maar. God gaat je voor.

Share and Enjoy !

0Shares
0 0